Slimme logger
Gebruikershandleiding
Aan de slag met Smart Logger
Versie 1.1
2022-09-30
Opmerking over handmatige toepassing [Betreff] Auteur……………………. PMC61
Beperkingen………………… Openbaar document
Abstract………………. Stapsgewijze instructies voor de eerste ingebruikname van Smart Logger
Slimme logger
Met de productgroep Smart Loggers doorbreekt Vector de klassieke grenzen tussen door de gebruiker bestuurde meetsoftware en autonoom werkende loggers. Installeer de loggerhardware in het voertuig en bedraad uw meetsystemen, ECU's, bussystemen, ADAS-sensoren, camera's, GNSS-ontvangers en nog veel meer. Breng vervolgens uw bestaande CANape- of vMeasure-configuratie met slechts één klik op de knop over naar de Smart Logger.
Als er nog geen configuratie beschikbaar is, kunt u met een aangesloten configuratie-pc uw logtaak via de Smart Logger instellen alsof u met onze desktoptools CANape of vMeasure werkt. Definieer de meetparameters, berekeningsalgoritmen en triggervoorwaarden. Visualiseer gemeten en berekende signalen. Test uw configuratie en volg de metingen op uw configuratie-pc terwijl u reeds bestaande bedrading en aansluitingen gebruikt.
De configuratie en de meettaak zijn dus identiek voor ontwikkeling en voertuig-/componenttest. Daarom bieden de Smart Loggers consistentie en betrouwbaarheid tijdens alle testfasen. Met een web-gebaseerde interface, de Mobile UI, kunt u het logproces starten en stoppen en informatie krijgen over de Smart Logger-status. Vector Smart Logger is beschikbaar in twee versies: vMeasure log en CANape log. Ze worden geconfigureerd met de bijbehorende desktopapplicaties, vMeasure log met vMeasure en CANape log met CANape.
Er zijn drie hardwareplatforms beschikbaar voor Vector Smart Loggers: VP6400, VP7400 en VP7500.
Ze zijn allemaal specifiek ontworpen voor gebruik bij tests op de weg. Ze zijn ontworpen om logtaken betrouwbaar uit te voeren, van veeleisend tot high-end.
Hardware-installatie en configuratie
2.1 Voeding
Smart Loggers zijn ontworpen om op te starten wanneer terminal 15 van het voertuig actief wordt. In de volgende hoofdstukken wordt de vereiste bedrading voor de verschillende hardwareplatforms beschreven om dit gedrag te bereiken.
2.1.1 VP6400
Sluit de open kabeluiteinden van de meegeleverde stroomkabel aan (onderdeelnummer 22515, zie
- Afbeelding 2) op de permanente stroomvoorziening van het voertuig (klem 30/GND).
- Sluit de Molex Mini-Fit-connector aan het andere uiteinde van de voedingskabel aan op de Power 12/24V DC-connector van de VP6400.
- Sluit de witte draad met de rode banaanstekker van de meegeleverde Binder-kabel (onderdeelnummer 30012) aan op aansluiting 15 van het voertuig.
- Sluit de Binder-connector aan het andere uiteinde van de kabel aan op de Sync-connector van de VP6400.

Opmerking
Voor een goede functionaliteit moeten de voeding en klem 15-lijn dezelfde GND-referentie hebben.
2.1.2 VP7400
Sluit de open kabeluiteinden van de meegeleverde voedingskabel aan (VP7400: onderdeelnummer 22515, zie
- Afbeelding 2) op de permanente stroomvoorziening van het voertuig (klem 30/GND).
- Sluit de Molex Mini-Fit-connector aan het andere uiteinde van de voedingskabel aan op de Power 12/24V DC-connector van de VP7400.
- Sluit de gele ontstekingskabel aan op aansluiting 15 van het voertuig.
- Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op de SYSCTRL-connector naast het stopcontact van de VP7400.
Opmerking
Voor een goede functionaliteit moeten de voeding en klem 15-lijn dezelfde GND-referentie hebben.
2.1.3 VP7500
- Sluit de open kabeluiteinden van de meegeleverde voedingskabel (onderdeelnummer 22585) aan op de permanente stroomvoorziening van het voertuig (klem 30/GND).
- Sluit de Amphenol C10-connector op de Power 12/24V DC-connector van de VP7500.
- Sluit de gele ontstekingskabel aan op aansluiting 15 van het voertuig.
- Sluit het andere uiteinde van de kabel aan op de SYSCTRL-connector naast het stopcontact van de VP7500.
Opmerking
Voor een goede functionaliteit moeten de voeding en klem 15-lijn dezelfde GND-referentie hebben.
2.2 Verbinding met de configuratiecomputer
Om de Smart Logger te configureren en te bedienen is een ethernetverbinding tussen de Smart Logger en een configuratiecomputer vereist. Sluit de configuratiecomputer aan op de ethernetpoort met het label 1G MGMT op respectievelijk de VP6400 / VP7400 / VP7500.
2.3 IP-adresconfiguratie
Om een ethernetverbinding tot stand te brengen tussen de Smart Logger en de configuratiecomputer moeten beide apparaten worden geconfigureerd om hetzelfde IP-adressubnet te gebruiken. Controleer dit of wijzig de instellingen indien nodig.
Bewerking
De standaard IP-instellingen van de Smart Loggers voor de ETH1/1G MGMT-poort zijn:
IP-adres: 192.168.0.10
Subnet mask: 255.255.255.0
In de volgende hoofdstukken wordt beschreven hoe u de IP-instellingen voor de configuratiecomputer en de Smart Logger kunt wijzigen.
2.3.1 Configuratie IP-computerinstellingen aanpassen
Stapsgewijze handleiding om de adapterinstellingen op uw configuratie-pc onder Windows 10 te wijzigen:
- Open het Windows-startmenu en typ Netwerkstatus in en start de Netwerkstatus Systeeminstellingen.
- Ga naar het tabblad Status.
- Klik op de optie Adapter wijzigen.

- Klik met de rechtermuisknop op de ethernetadapter waarmee de Smart Logger is verbonden en selecteer eigenschappen.
- Selecteer Internet Protocol versie 4 (TCP/IPc4) en klik op eigenschappen.
- Stel het IP-adres en het subnetmasker in zodat deze overeenkomen met de Smart Logger-instellingen, bijvoorbeeld:
> IP-adres: 192.168.0. 1
> Subnetmasker: 255.255.255.0
- Schakel de firewall uit om een verbinding tot stand te brengen tussen de configuratie-pc en Smart Logger.
2.3.2 Smart Logger IP-instellingen aanpassen
Bij levering zijn alle Smart Loggers geconfigureerd met de IP-instelling zoals beschreven in hoofdstuk 2.1.3. Om deze instellingen te wijzigen, moet u minimaal één keer verbinding maken met de overeenkomende instellingen op de configuratiecomputer.
Zodra de adapterinstellingen van de configuratiecomputer zijn ingesteld en de firewall is uitgeschakeld, volgt u
deze stappen om de IP-instellingen van de Smart Logger aan te passen:
- Start de Vector Platform Manager.
- Kies de Smart Logger uit de vervolgkeuzelijst Geselecteerde apparaten.
- Nadat de verbinding tussen de Vector Platform Manager en de Smart Logger tot stand is gebracht, schakelt u over naar het tabblad Tool Platform en vervolgens naar het subtabblad Netwerkinstellingen.
- Selecteer de ETH1 / 1G LAN-poort MGMT in de vervolgkeuzelijst Netwerkadapter.

- Wijzig de adapterinstelling in de sectie IP-instellingen.
Opmerking De adapterinstellingen moeten statisch zijn ingesteld. - Klik op de knop Toepassen.
Opmerking
Na het klikken op de knop Toepassen wordt de verbinding met de Smart Logger verbroken. U zult dan de netwerkadapterinstellingen van de configuratiecomputer moeten aanpassen aan de nieuwe IP-instellingen van de Smart Logger voordat u opnieuw verbinding maakt.
Slimme loggerconfiguratie
Vector Smart Loggers zijn beschikbaar in twee versies, als vMeasure log en CANape log. De configuratietools voor deze twee versies zijn respectievelijk vMeasure en CANape. Wat betreft het configureren van een Smart Logger zijn beide versies gelijk.
3.1 De configuratietool verbinden met uw Smart Logger.
- Na het instellen van de hardware en het configureren van de Ethernet-interfaces, zoals beschreven in hoofdstuk 2, start u de Smart Logger op. Zorg ervoor dat de firewall van de configuratie-pc is uitgeschakeld.
- Start de configuratietool.
- Maak een nieuw project in vMeasure of een nieuw containerproject in CANape.
- Schakel over naar de lintlogger.

- Klik op Select Logger om het Smart Logger-selectiedialoogvenster te openen.
- Selecteer uw Smart Logger en bevestig het dialoogvenster.
Opmerking
Het rode kader rond de GUI van de configuratietool geeft aan dat u nu verbonden bent met de Smart Logger. Elke wijziging die in de configuratietool wordt aangebracht, wordt op de Smart Logger uitgevoerd. De configuratie van interfaces die zijn aangesloten op of ingebouwd in de Smart Logger gebeurt vanaf de Ribbon Logger.
3.2 Bestaand project overdragen
- Volg de stappen beschreven in hoofdstuk 3.1. In plaats van in stap 3 een nieuw project aan te maken, laadt u echter uw bestaande project in de configuratietool.
- Met stap 6 wordt het bestaande project geïmplementeerd op de Smart Logger.
- Sluit alle apparaten aan op de Smart Logger.
- Controleer op het lint Logger of de kanaaltoewijzing van de Smart Logger overeenkomt met het project.
Opmerking
Het bestaande project moet mogelijk worden aangepast aan de gebruikssituatie van logboekregistratie. De Smart Logger-usecase dicteert een autonome werking.
3.3 Een meting starten
Met de configuratietool wordt een meting gestart door op het bliksempictogram Start op het lint Start of in de snelle toegang werkbalk te klikken.
Elke herstart van de Smart Logger start een nieuwe meting.
De registratie van meetgegevens kan afzonderlijk worden geconfigureerd. Controleer de recorderconfiguratie in de Meetconfiguratie op het lint Start.
3.4 Opgenomen gegevens downloaden
- Klik op Meetgegevens downloaden op het lint Logger.

- Alle metingen fileDe opnames met het momenteel actieve project worden vermeld in de sectie Meting FileS. Om gegevens van een eerder gebruikt project te downloaden, bladert u door het vervolgkeuzemenu. Selecteer Project helemaal bovenaan het dialoogvenster.
- Selecteer individu files of all files die moeten worden gedownload van de Smart Logger.
- Geef aan in welke map de meetgegevens moeten worden gedownload en of u wilt dat de gegevens worden verplaatst of gekopieerd.
- Klik op de knop Verplaatsen/Kopiëren om het downloaden te starten.
Mobiele gebruikersinterface
De mobiele gebruikersinterface is een web-gebaseerde gebruikersinterface waarmee u opnames kunt pauzeren en hervatten, vitale Smart Logger-eigenschappen kunt bewaken en momenteel opgenomen signalen kunt weergeven. De mobiele gebruikersinterface is toegankelijk met elke browser vanaf elk met WiFi verbonden apparaat.
Opmerking
De VP6400 is alleen in de EU verkrijgbaar met ingebouwde WiFi-adapters. Voor alle overige landen dient u een externe WiFi-adapter van LM Technologies te gebruiken. Driversets voor de WiFi-adapter LM007 en LM808 zijn inbegrepen in het Smart Logger OS.
4.1 Verbinding maken via WiFi
- Stel een hotspot in met het apparaat waarmee u de mobiele gebruikersinterface wilt weergeven. Voor meer informatie over het instellen kunt u de handleiding van uw apparaat raadplegen.
- Sluit een externe WiFi-adapter aan op de Smart Logger (sla deze stap over als uw VP6400 een ingebouwde WiFi-adapter heeft.)
- Schakel de firewall op uw computer uit.
- Start de configuratietool.
- Schakel over naar de lintlogger.
- Klik op de knop Platform Manager om de Vector Platform Manager te openen.
- Selecteer uw Smart Logger in de vervolgkeuzelijst in de sectie Apparaatselectie.

- Schakel over naar het lint Tool Platform en daar naar het sublint Netwerkinstellingen.
- Selecteer de WiFi-adapter in de vervolgkeuzelijst Netwerkadapter.
- In de sectie WLAN-instellingen schakelt u de modus naar Infrastructuur. Alle beschikbare WiFi-netwerken die binnen bereik zijn, staan vermeld in de tabel Infrastructuur.
- Selecteer het netwerk dat naar uw hotspot verwijst en maak er verbinding mee.

- Nadat de verbinding tot stand is gebracht, vernieuwt u de weergavepagina, bijvoorbeeld door het sublint heen en weer te schakelen. Het IP-adres van uw Smart Logger wordt weergegeven in de sectie IP-instellingen.

- Typ het IP-adres van de browser van het apparaat waarin u de Mobil UI wilt weergeven. Uw browser wordt automatisch doorgestuurd naar de Mobiele UI.
Aanvullende bronnen
Handleiding voor de productfamilie VP6400
> VP7400 Productfamiliehandleiding
> VP7500 Productfamiliehandleiding
Contacten
Voor een volledige lijst met alle Vector-locaties en adressen wereldwijd kunt u terecht op https://vector.com/contact/.
Auteursrecht © 2022
Vector Informatik GmbH
Contactgegevens: www.vector.com
or +49-711-80 670-0
Documenten / Bronnen
![]() |
VECTOR Slimme logger [pdf] Gebruikershandleiding Slimme logger, logger, PMC61 |




